Wie was de meester van de folklorefilm?
Dirk Jan van der Ven begon zijn carrière als publicist in de jaren tien, meteen na de HBS. Zijn artikelen – voornamelijk over natuur en platteland – verschenen in bladen als Eigen Haard, Buiten, Aarde en haar volkeren en Mork’s Magazijn. Maar hij schreef ook over folklore en in 1912 was hij nauw betrokken bij de oprichting van het Openluchtmuseum (in Arnhem). En al vond het bestuur de eigenwijze autodidact bij tijd en wijle een vervelende bemoeial, ze erkenden dat hij wel degelijk reclame wist te maken voor het museum.
Tegen de tijd dat het museum officieel zijn deuren opende, had Van der Ven al een breed publiek bereikt. In 1919 organiseerde hij samen met het museum Het Vaderlandsch Historisch Volksfeest, een belangrijk evenement dat gefilmd werd door verschillende filmmakers en een groot succes werd. Het kwam voor niemand als een verrassing dat ook Van der Ven zelf het medium film ging gebruiken om nog meer mensen deelgenoot te maken van zijn folkloristische boodschap.
Naar aanleiding van het festival werd Van der Ven benaderd door Jules Stoop, directeur van de zojuist opgerichte Filmfabriek Polygoon. Stoop had plannen voor een Nederlandse documentaire over het Nederlandse ‘volksleven’. Daarmee wilde hij Willy Mullens’ Haghe Film, dat tot dan toe als enige het Nederlandse plattelandsbestaan op film vastlegde, naar de kroon steken.
Van der Ven maakte voor Polygoon Nederland’s volksleven in de lente, een film die het genre op de kaart zette maar commercieel een flop was. Tegen de tijd dat de film uitkwam was de relatie tussen Van der Ven en Polygoon verstoord, waarschijnlijk vanwege Van der Ven’s onrealistische verwachtingen ten aanzien van de opbrengsten van de film.
In de jaren daarna maakte Van der Ven nog een aantal lange folklorefilms met verschillende andere filmmaatschappijen.
Tijdens het stille filmtijdperk werd de film vaak live muzikaal begeleid. De muziek voor de films van Van der Ven werd geschreven door de beroemde componist Julius Röntgen. Röntgen, een flink eind in de zestig, had wel zin in een niet al te veeleisende opdracht en baseerde zijn score op een aantal Nederlandse volkswijsjes. Hij kwam zelf vaak opdraven als begeleider, iets wat de voorstelling extra cachet gaf. En aangezien Van der Ven zijn films vaak zelf inleidde, brachten folklorist en componist heel wat tijd door in elkaars gezelschap.
De films van Van der Ven werden van tijd tot tijd uitgebracht in de bioscoop maar meestal werden ze vertoond in congres- en verenigingsgebouwen. Zo maakten Van der Ven en Röntgen niet alleen hun opwachting tijdens een gala-soirée in de Haagse Koninklijke Schouwburg in aanwezigheid van leden van het koninklijk huis maar deden ze ook de land- en tuinbouwtentoonstelling in Gouda aan en – volgens een krantenbericht uit die tijd – een congres over spijsverterings- en stofwisselingsziekten.
De voorstellingen waren niet altijd een onverdeeld succes. Als Röntgen verhinderd was, nam Van der Vens vrouw achter de piano plaats, tot grote teleurstelling van het publiek dat speciaal voor de componist gekomen was. De introducties van Van der Ven waren bovendien ongelooflijk saai en menigeen klaagde over de lengte van de films.
Van der Ven was niet eerste Nederlandse folklorist en hij was ook niet de meest wetenschappelijke. Zijn timing was echter perfect. De maatschappij veranderde in rap tempo en een groeiend aantal Nederlanders begon oog te krijgen voor de snel verdwijnende plattelandsgebruiken en al was het tij dan niet te keren, het was op z’n minst geruststellend dat iemand ze vastlegde voor het nageslacht.
Er was een andere, pijnlijker aanleiding voor de hernieuwde belangstelling voor de specifiek Nederlandse zeden en gewoonten. In november 1918, kort na de Eerste Wereldoorlog, dreigde België met de annexatie van Zeeuws Vlaanderen en Zuid Limburg ter compensatie voor het doorstane oorlogsleed. De redenering was dat de neutraliteit van Nederland het de Duitsers makkelijker had gemaakt België binnen te vallen. De Belgische actie veroorzaakte een storm van verontwaardiging en al kwam er van annexeren niets, de provincies stonden plotsklaps zozeer in de belangstelling dat er over Limburg alleen al verschillende films gemaakt werden.
Eind jaren twintig was het gedaan met de folklorefilm. Het publiek hield het voor gezien en hoewel Van der Ven een begenadigd schrijver was, evenaarde hij dat niveau als filmmaker nooit.Zijn laatste film was dan ook opnieuw een stille film. Maar Levende folklore in Asselt aan de Maas, een compilatie van opnamen die gedurende een periode van twaalf jaar gemaakt waren, was in 1936, toen hij de film als huwelijksgeschenk aanbood aan prinses Juliana en prins Bernhard, al totaal passé.
Van der Ven stopte met filmen en richtte zich weer op het schrijven.
Toen Van der Ven zijn films maakte was er van een volwassen volkenkunde geen sprake in Nederland. Het zou nog tot 1934 duren eer er een volkskundebureau werd ondergebracht bij de voorloper van het latere Meertensinstituut. Maar Van der Ven werd er niet meer bij betrokken. Zijn tijd was voorbij. Hij was met ruzie vertrokken bij een familieblad en maakte geen films meer. Hij bleef wel schrijven en gaf lezingen in het hele land. Samen met zijn vrouw, die verschillende publicaties over het onderwerp op haar naam had staan, promootte hij het volksdansen.
De Duitse bezetters toonden na de invasie van 1940 veel belangstelling voor de Nederlandse volkskunde, antropologie en folklore. Net als vele van zijn collega’s werkte Van der Ven door, iets wat de reputatie van de beroepsgroep geen goed heeft gedaan. Van der Ven en zijn vrouw ontkwamen na de oorlog maar nauwelijks aan een beroepsverbod.




