Pygmalion - een cinematografische uitdaging

  • Meyer’s opportunisme
  • Wurgcontract
  • Dialoog versus actie
  • Shaw is ‘not amused’
  • Mogelijkheden voor de Nederlandse filmindustrie

Met de verfilming van het beroemde toneelstuk Pygmalion nam Rudi Meyer een groot risico. In de eerste plaats betekende het dat hij in de slag moest met George Bernhard Shaw die bekend stond als een onmogelijk mens, zowel op het artistieke als het zakelijke vlak. Shaw was een uitgesproken persoonlijkheid die met zijn scherpe kritieken carrières kon maken en breken. Maar Meyer liet zich niet afschrikken: hij zag zowel de artistieke als de commerciële mogelijkheden van Pygmalion en hij ging de uitdaging aan.

Het eerste struikelblok was Shaw’s zakelijke instelling. Hij kende het opportunistische filmwereldje maar al te goed en was totaal niet gevoelig voor glamour. Om de artistieke controle over zijn werk te houden, stelde hij zijn eigen contracten op. Hij bepaalde de condities en voor de tegenpartij was het een kwestie van stikken of slikken.
Shaw eiste dat er niet aan het scenario veranderd mocht worden zonder zijn medeweten en toestemming. Hij verkocht de filmrechten nooit wereldwijd en alleen voor een afgesproken, beperkte periode en voor een afgesproken regio. Hij eiste ook een vast percentage van de omzet. Meyer kon niet veel anders doen dan ja knikken bij elke clausule.

Bovendien waren Shaw’s artistieke ideeën gedurfd en revolutionair. In zijn toneelstukken staat de dialoog centraal, niet de actie. De stukken gaan over het spanningsveld tussen verschillende ideeën en worden voortgedreven door de dialogen.Dat was in tegenspraak met de filmconventies waarin het verhaal juist richting krijgt door de actie. Regisseurs en producenten hadden het over het algemeen niet zo op de toneelschrijvers die naar hun mening geen idee hadden waar het bij film om ging.
Shaw op zijn beurt had een hekel aan de door actie geobsedeerde filmindustrie. Daarom wees hij tijdens het stomme filmtijdperk elk verzoek om zijn werk te mogen verfilmen af. Met de komst van de geluidsfilm veranderde hij van mening en met Ludwig Berger als regisseur durfde Meyer het avontuur aan Pygmalion te vertalen naar het witte doek.

Op 16 april 1937 zag Shaw de Nederlandse versie van Pygmalion en naar verluid was hij ‘not amused’. Meyer had het stuk zonder zijn toestemming ‘aangepast’. Er waren scènes toegevoegd en de Nederlandse Eliza zag er een stuk minder armoedig en smerig uit dan Shaw’s Eliza. Nog veel bozer werd hij aan het einde van de film. In Shaw’s stuk gaat Eliza terug naar haar jeugdliefde in de achterbuurten terwijl Higgins ontroostbaar achterblijft. In de Nederlandse versie, geheel in tegenspraak met de geest van het stuk, worden de twee verliefd. Ondanks dat kon hij waardering opbrengen voor de regie van Berger, die de op zijn minst de functie van de dialogen gerespecteerd had.

Pygmalion werd door de Nederlandse pers - die de film juist zeer 'Shavian' vond - goed ontvangen. De dialogen werden geroemd en de filmmakers geprezen vanwege het respect dat ze getoond hadden voor het origineel. Het succes van een film die voornamelijk op dialogen dreef, betekende voor de Nederlandse filmindustrie ook nieuwe kansen. Dialoogfilms waren goedkoper dan actiefilms en voor een kleine markt als de Nederlandse was dat een factor van belang. De dialoogfilm sloot ook beter aan op de Nederlandse toneeltraditie die zo verbonden was met de ontwikkeling van de film.

|