Filmkeuring in Nederland
In 1913 verscheen de brochure 'Het Amsterdamsche schoolkind en de bioscoop' van de hand van leraar Engels en toneelcriticus Simon B. Stokvis. Stokvis was in die tijd secretaris van het ‘Comité ter bestrijding van het Bioscoopkwaad’ en bezocht in de periode tussen mei en juni van dat jaar 23 Amsterdamse bioscopen om zowel de programmering als het publiek aan een kritische beschouwing te onderwerpen - vooral het aantal schoolkinderen had zijn belangstelling.
In het rapport van Stokvis komt veel voorbij. Zo beschrijft en recenseert hij de films waarbij hij met name let op de reacties van het jeugdige publiek. Stokvis concludeerde: ‘Al het voorgaande saamgevat, beschuldigen wij den bioscoop, zooals die thans voor alle kinderen zonder eenige controle is opgesteld, te zijn een kinderverderf in plaats van een behoorlijk kindervermaak’. Stokvis vindt dan ook dat het hoog tijd wordt om in te grijpen.
Stokvis onderbouwde zijn conclusie met feiten. Sommige kinderen, schreef hij, stalen geld van hun ouders om naar de bioscoop te gaan. Anderen bezochten de late voorstelling en konden zich de volgende dag op school maar slecht concentreren. Bioscopen waren bovendien onaangename, grimmige plaatsen waar veel gerookt werd, ook door kinderen, en waar veel te veel mensen op elkaar gepakt zaten. Stokvis beschrijft hoe een aantal kinderen zich in één stoel wurmden.
Maar het waren niet alleen de bioscoopexploitanten die deden of hun neus bloedde. Het waren de ouders, en met name de ouders die niet veel geld hadden, die de bioscoop als oppas gebruikten. Wanneer ze behoefte aan een rustige avond hadden, stuurden ze hun kroost zonder enige begeleiding naar de film. Als ze zelf al meegingen, waren ze niet bepaald een lichtend voorbeeld voor hun kinderen en overtroffen ze zelfs de meest uitgesproken explicateur. Stokvis vertelt daarover de volgende anecdote: ‘Daar klinkt op afstand de vraag van een vier- à vijfjarig kind: ‘Vader, wat doet-ie nou?’ En andermaal ‘Wat doet-ie nou?’ Vader heldert op: ‘Nou verneukt die kleine bliksem die ouwe kerel’ En het kind: ‘Oooooh!’
In 1914, een jaar nadat Stokvis zijn rapport had gepubliceerd, lanceerden de Amsterdamse bioscoopexploitanten een tegenoffensief in de vorm van een pamflet getiteld 'Een protest. Antwoord op de Brochure ‘Het Amsterdamsche schoolkind en de bioscoop’'. Daarin werd Stokvis afgeschilderd als een tegenstander van de bioscoop met als enig doel de film in een kwaad daglicht te stellen.
Maar ze hadden ongelijk. Stokvis vond de bioscoop dan wel geen geschikte omgeving voor kinderen, maar aan de maatschappelijke rol van het medium film hechtte hij een enorm belang. Film kon de massa verheffen. Hij geloofde in het oude socialistische ideaal dat kunst de mens beter en gelukkiger maakte. Die taak was van oudsher toebedeeld aan het theater maar dat had zich volgens Stokvis verwijderd van de gewone man: de film was nu het geëigende medium. Het waren Stokvis’ hooggestemde idealen die hem voor censuur deden pleiten. Bescherming bieden tegen ‘onaestetische gevoelens’ was zijn doel, niet de bewaking van de publieke moraal.
Stokvis' houding ten opzichte van censuur was ambivalent. Hij was vóór een bioscoopcommissie maar dan zonder bemoeienis van de overheid omdat in dat geval de controle onder de politie zou vallen en van film had de politie volgens Stokvis geen enkel verstand. Hij pleitte voor een onafhankelijke commissie waarin schrijvers, kunstenaars, musici en andere lieden met verstand van cultuur zitting zouden hebben.
Zoals te verwachten vonden zijn ideeën weinig weerklank bij de keurders van de Vereeniging van Gemeentelijke en Particuliere Bioscoopcommissies in Nederland die ze afdeed als veel te liberaal en een gevaar voor de goede smaak. Van Stokvis’ beschrijving van een scène met de actrice Asta Nielsen kreeg de Vereeniging het zo mogelijk nog benauwder. Hij prijst haar omdat ze ‘ons laat genieten van haar heerlijke lijnen’. Het waren vreemde woorden uit de pen van een achtenswaardig filmkeurder en de Vereeniging wenste dan ook niets meer met hem te maken te hebben.
Uiteindelijk slaagde Stokvis er toch in de Amsterdamse autoriteiten te overtuigen van zijn gelijk. De bioscoopcommissie kwam er. Stokvis werd benoemd tot secretaris en ontpopte zich als de organisatorische spil van de organisatie.
Maar al snel kreeg hij ruzie met de andere filmkeurders wiens beslissingen hij terugdraaide en wiens kritiek op zijn beleid hij negeerde. Stokvis was een echt Pietje Precies. Zo keurde hij een film af omdat de tussentitels spelfouten fouten bevatten, of de interpunctie niet klopte. Zijn optreden kwam hem op de woede van niet alleen de bioscoopexploitanten maar ook de andere commissieleden te staan. Na een reorganisatie werd Stokvis benoemd to bioscoopinspecteur belast met het toezicht op de navolging van de regels die de commissie had opgesteld. Van Thiel werd de nieuwe voorzitter. Stokvis werd steeds meer een einzelgänger binnen de commissie. Niet in staat tot samenwerken, zo kwalificeerden zijn collega’s hem, en al helemaal niet geschikt voor een leidinggevende functie.




