De enige echte filmtycoon van ons land

  • ‘Ik droomde mij gouden bergen’
  • HAP en United Artists
  • Geluidsfilm
  • De Loetafoon: opkomst en ondergang
  • De Jantjes en andere producties
  • Filmstad Wassenaar

Loet C. Barnstijn was een selfmade man die een textielfabriek bezat. Begin jaren ’10 besloot hij echter een hele andere richting in te slaan. Hij maakte zijn entree in de filmwereld en kocht zijn eigen bioscoop in Den Haag.
In die jaren maakte de Nederlandse film een radicale verandering door: de bioscoop begon de reizende bioscoop en de variététheaters met hun filmvoorstellingen te verdringen. Er braken gouden tijden aan voor bioscoopeigenaren en distributeurs. Met slim zakendoen en een beetje mazzel kon veel geld verdiend worden en dat is precies wat ondernemers als Jean Desmet, Abraham Tuschinski en Loet C. Barnstijn deden.

Niet alleen de ondernemers deden goede zaken. Ook de regering rook geld en legde de bioscopen een vermakelijkheidsbelasting op van meer dan twintig procent. Bioscoopeigenaren klaagden steen en been. Voor Barnstijn was het een reden zijn bioscoop op te doeken en zich uitsluitend op de distributie te richten. In 1915 richtte hij HAP op, vernoemd naar de drie bioscopen die hij samen met zijn broer exploiteerde in Den Haag, Enschede en Groningen.
Barnstijn werd al gauw een van de belangrijkste distributeurs in Nederland. Hij had zijn succes voornamelijk te danken aan de exclusieve rechten die hij wist te verkrijgen op de films van United Artists dat sterren als Chaplin, Douglas Fairbanks Jr. en Mary Pickford onder contract had. Barnstijn kreeg Fairbanks jr. en Pickford zelfs zover dat ze Den Haag aandeden tijdens hun huwelijksreis, een publiciteitsstunt die een grote menigte op de been bracht.

De doorbraak van de geluidsfilm in de Verenigde Staten was voor Barnstijn het signaal om deze ook in Nederland te introduceren. Het was echter moeilijk om aan de juiste apparatuur te komen en de aanschaf van een Amerikaans audio systeem liep teveel in de papieren.
Barnstijn besloot, samen met Philips, zijn eigen systeem te ontwerpen. Hij nodigde Philips ingenieur Prinsen uit voor een studiereis naar Londen. Na een aantal mogelijkheden bestudeerd te hebben, opteerden ze voor een systeem waarbij beeld en geluid op aparte dragers opgenomen werden en gesynchroniseerd afgespeeld. Binnen twee maanden was Prinsen klaar voor een eerste demonstratie en binnen een week was het contract tussen Philips en Barnstijn getekend. De Handelsmaatschappij Loetafoon, dat de projectoren die door Philips ontwikkeld en geproduceerd werden zou verkopen, was een feit.
De eerste openbare vertoning van de geluidsfilm vond plaats op 31 januari 1929, voor een select publiek, in het Utrechtse Flora theater. Het programma bestond uit twee korte films, een over de violist Albert Sandler en een over de zanger Emanuel List.

De nieuwe geluidsprojector werd de Loetafoon gedoopt, naar Loet Barnstijn zelf. Het idee dat ten grondslag lag aan de Loetafoon was niet nieuw. Producenten als Gaumont en Pathé Frères brachten aan het begin van de twintigste eeuw al korte films uit waarbij het geluid op een grammofoonplaat stond die gesynchroniseerd moest worden afgespeeld. Het systeem kampte met allerlei problemen en werd geen succes.
Later gingen het Britse Phototone en het Amerikaanse Vitagraph er opnieuw mee aan de slag. Barnstijn en Prinsen namen hun ontwerp zonder veel veranderingen aan te brengen over voor de Loetafoon en het duurde dan ook niet lang voor Prinsen een prototype klaar had. Hun grootste probleem was niet de synchronisatie maar de geluidssterkte, maar dat probleem kon gemakkelijk opgelost worden dankzij de expertise van Philips op dat gebied.
De Loetafoon was een commercieel succes. Bijna een derde van alle bioscopen in Nederland installeerde het systeem. Dankzij Barnstijns gedrevenheid en zijn zakelijke connecties maakte Nederland, samen met Groot Brittannië, de snelste overgang naar de geluidsfilm in Europa. Jammer genoeg bleef het niet lang pais en vree tussen Philips en Barnstijn. Hij vertrouwde de firma uit Eindhoven niet en vreesde dat hij aan de kant zou worden gezet zodra zijn kennis en contacten niet meer nodig waren. Na een aantal aanvaringen kwam er in 1933 een einde aan de samenwerking.
Inmiddels waren er andere kapers op de kust. De optische soundtrack deed zijn intrede. Geluid en beeld werden gesynchroniseerd aangebracht op dezelfde drager. De Loetafoon kon de strijd niet winnen en na 1932 verdween het laatste exemplaar uit de Nederlandse bioscopen.

De roemloze ondergang van de Loetafoon betekende niet dat Barnstijn zich niet meer met de geluidsfilm bemoeide. Tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten kocht hij een aantal Akelay camera’s. Deze camera’s zetten het geluidssignaal direct om in een optisch geluidsspoor op film. Dat maakte ze minder geschikt voor speelfilms maar des te geschikter voor het maken van geluidsreportages. Barnstijn verkocht er een aan Filmfabriek Polygoon die er hun eerste geluidsjournaals mee opnamen. Belangrijker was de rol die Barnstijn vervolgens vervulde als producent van geluidsfilms. Zijn eerste project was De Jantjes, na Willem van Oranje de tweede grote Nederlandse geluidsfilm. Toen het geld halverwege opraakte, sprong Barnstijn bij en redde de productie. Toen de film ook nog een daverend succes werd, wist Barnstijn waar zijn toekomst lag. In datzelfde jaar verscheen Malle gevallen, in 1935 gevolgd door De familie van mijn vrouw en Het mysterie van de Mondscheinsonate, allemaal geproduceerd door Loet C. Barnstijns Filmproductie. De eerste drie films werden opgenomen in de Cinetone Studio’s in Duivendrecht, het Nederlandse Hollywood. Het mysterie van de Mondscheinsonate werd echter opgenomen in Barnstijn’s eigen complex: Filmstad Wassenaar.

Filmstad Wassenaar zou Barnstijns laatste grote project worden. Een eigen studiocomplex met twee grote studio’s waar volgens Barnstijn kwalitatief goede amusementsfilms zouden worden gemaakt voor het Nederlandse publiek. De studio’s zouden een nieuwe impuls geven aan de Nederlandse filmindustrie.
Maar Barnstijn was te laat. Het tij was gekeerd en de filmindustrie raakte in crisis. Er werden steeds minder films gemaakt en Barnstijn kon zijn studio’s nog maar met moeite draaiende te houden.
De oorlog betekende de genadeklap voor Filmstad Wassenaar. Barnstijn vluchtte naar de Verenigde Staten en zijn bezittingen werden vanwege zijn joodse afkomst door de Duitsers geconfisceerd. Het complex werd omgedoopt tot UFA Filmstadt Den Haag en er werden Duitse films gemaakt tot het complex in 1944 gebombardeerd werd door de Britten. Barnstijns filmcarrière was definitief voorbij. Na de oorlog diende hij vergeefs een verzoek in tot compensatie. Daarop keerde hij voorgoed terug naar de Verenigde Staten. In 1953 stierf de enige echte filmtycoon die Nederland ooit rijk is geweest. Zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de Nederlandse geluidsfilm is van onschatbaar belang.

|