Vroege film in Nederland: verantwoording

De eerste jaren van de Nederlandse filmgeschiedenis laten zich niet eenvoudig beschrijven: de belangrijkste thema's zijn bekend, maar de feiten zijn lastig te achterhalen. Zeker in het tijdvak voor de komst van de bioscoop en de opkomst van filmdistributie was filmvertoning en -productie een zaak van lokale vertoners die niet altijd sporen hebben achtergelaten. Om meer te weten te komen over de ambulante vertoners - de reisbioscoopexploitanten - bieden lokale en regionale kranten uitkomst.
Een dergelijk onderzoek is voor een aantal plaatsen (Amsterdam, Utrecht, Dordrecht, Hoorn, Zandvoort en Bussum) en vertoners (de Nederlandsche Biograaf en Mutoscope Maatschapij, F.A. Nöggerath sr., Alberts Frères en Jean Desmet) doorgevoerd. Het merendeel van de vertoningsplaatsen en vertoners is echter onvolledig of steekproefsgewijs onderzocht. Pas nu steeds meer kranten uit de periode 1896 - 1910 digitaal beschikbaar worden gesteld, is het gemakkelijker om een completer beeld te krijgen.
 
 
Nooit volledig
De samenstellers zijn zich ervan bewust dat de filmografie van Film in Nederland nooit volledig kan zijn; ieder nieuw onderzoek levert immers een stroom aan nieuwe gegevens op. Ook is niet altijd zekerheid te geven over de officiële premièredata. Daarom wordt in plaats van de première- of releasedatum vaak de term 'eerste vertoning' gebruikt.
Veel exploitanten maakten zich schuldig aan het toe-eigenen van films. In hun advertenties voorzagen ze hun films van het etiket 'eigen opname'; niet duidelijk is of dit verwijst naar het zelf opnemen en produceren van een film of in algemene zin naar films van Nederlandse makelij. Van grootheden als Alberts Frères (de gebroeders Willy en Albert Mullens) en F.A. Nöggerath sr. is het zeker dat zij hun films zelf produceerden. Maar bij de meeste andere exploitanten is het twijfelachtig of zij ook de producent waren van de door hen vertoonde films. In de meeste gevallen is besloten de 'eigen' opnamen aan de vertoner toe te schrijven,  totdat het tegendeel bewezen is.
Film in Nederland presenteert de Nederlandse filmgeschiedenis in onderdelen. Dit houdt in dat de filmografische gegevens alleen betrekking hebben op die films welke in de betreffende onderdelen beschreven worden. Zo geldt voor deze eerste release dat bij personen en corporaties slechts die films genoemd worden welke binnen het betreffende tijdvak zijn geproduceerd.
De sectie Vroege film op deze website bevat informatie over circa 2300 films; vele daarvan zijn verloren gegaan. Naar schatting zijn er ongeveer 500 films bewaard gebleven; ruim 270 daarvan kunnen op deze site bekeken worden en van nog eens circa 50 films is een fragment te zien.
 
 
Afbakening
De grens voor de vroege film – voor de beschrijving van de eerste decennia van de Nederlandse film – bij 1923 te leggen. Hoewel er geen sprake is van een duidelijke secuur, is 1923 om een aantal redenen toch een belangrijk keerpunt.
Enerzijds nemen producenten en regisseurs als Maurits H. Binger en Theo Frenkel sr. in dat jaar afscheid van hun eind jaren tien geuite wens om een eigen Nederlandse speelfilmproductie op te zetten. Het streven om na de Eerste Wereldoorlog een internationale doorbraak voor de Nederlandse speelfilm te forceren, leed al snel schipbreuk en leidde in 1923 tot de ondergang van hun productiemaatschappijen Filmfabriek Hollandia en Amsterdam Film Cie. Binger zelf overleed in februari 1923.
Anderzijds zien we dat de Nederlandse filmindustrie rond 1923 op een ander terrein een steeds vastere en gezondere basis gaat krijgen: De toekomst van de Nederlandse film lag niet in de productie van speelfilms of andere amusementsfilms, maar in het vervaardigen van bijwerk als bioscoopjournaals en opdracht- en voorlichtingsfilms. De belangrijkste spelers waren Filmfabriek Polygoon als de producent van het bioscoopjournaal en Haghe Film en navolgers als IWA, Orion Filmfabriek en later Visie Film als producenten van documentaires en opdrachtfilms.
 
 
Extra’s
Als aanvulling op de vroege film besteedt deze eerste release van  Film in Nederland ook aandacht aan enkele ontwikkelingen die in deze periode zijn ingezet en in de navolgende jaren hun invulling kregen. De meest opmerkelijke is de komst van nationale wetgeving over de filmkeuring. De oprichting van de Centrale Commissie voor de Filmkeuring in 1928 leidde op vertoningsgebied tot concensus over wat in de bioscopen vertoond kon worden zonder de verschillende zuilen voor het hoofd te stoten.Ook wordt de opkomst en ontwikkeling van de belangrijkste genres - bioscoopjournaals, opdrachtfilms en voorlichtingsfilms (zoals de folkloristische films van Dirk Jan van der Ven) - gevolgd, omdat zij maatgevend zijn voor wat er in de periode 1923 tot begin jaren zestig in Nederland werd geproduceerd.
Film in Nederland beschrijft en toont ten slotte ook de geschiedenis van de (lange) Nederlandse speelfilm tot 1940. De vooroorlogse ‘speelfilmindustrie’ vormde het gezicht van de nationale filmproductie, hoe bescheiden van omvang zij ook was. De ontwikkeling van de speelfilmproductie werd zowel bepaald door incidenten als door de inzet van een aantal gedreven producenten. Weloverwogen beleid lag er niet aan ten grondslag: zo was het de onuitputtelijke energie van Maurits H. Binger die leidde tot de relatieve bloeiperiode aan het einde van de jaren tien. Ook producenten als Loet C. Barnstijn en Rudi Meyer waren persoonlijk verantwoordelijk voor de populariteit van de Nederlandse speelfilm in de jaren dertig.
Ten slotte zij opgemerkt dat de filmografie niet de journaals - uitgebracht tussen 1921 en 1987 - van Filmfabriek Polygoon herbergt. Wel geeft Film in Nederland toelichting op de diverse bioscoopjournaals die ons land gekend heeft.
 
 
Standaardwerk
Bij het samenstellen van de website is veelvuldig gebruikgemaakt van het archief van de Nederlandse-filmkenner Geoffrey Donaldson (1929 - 2002). Donaldson deed vanaf de jaren vijftig uitgebreid onderzoek naar de Nederlandse filmgeschiedenis. Dit resulteerde in 1997 in de publicatie van het standaardwerk Of Joy and Sorrow. A Filmography of Dutch Silent Fiction, dat verscheen als uitgave van het Nederlands Filmmuseum. Na zijn dood is Donaldsons uitputtende verzameling in het bezit gekomen van EYE - een groot aantal afbeeldingen op de website is afkomstig uit dit archief.