Deze sectie ‘Vroege film’ behandelt de geschiedenis van de film in Nederland van 1896 tot 1923. In deze periode doet de film zijn intrede in Nederland (12 maart 1896: eerste openbare voorstelling in de Kalverstraat in Amsterdam en krijgt de Nederlandse film een ander gezicht door de tumultueuze ontwikkelingen rond de Eerste Wereldoorlog.
Tussen 1896 en 1910 werd de Nederlandse filmwereld gedomineerd door de zogeheten ‘vertoners-producenten’. Deze beroepsgroep bestond uit zowel theaterdirecteuren als kermisexploitanten; zij zagen de film respectievelijk als welkome aanvulling op al bestaande specialiteitenprogramma’s en als nieuwe attractie voor de kermissen en jaarmarkten. Beide vertoonden over het algemeen buitenlandse films, aangevuld met zelfgemaakte opnamen.
De komst van de bioscoop
Rond 1910 trad een grote verandering op: in navolging van het buitenland deed ook in Nederland de bioscoop zijn intrede als vaste vertoningsplek voor de film. Binnen een paar jaar beheerste de bioscoop het uitgaansleven en hadden de vertoners van het eerste uur plaatsgemaakt voor bioscoopdirecteuren en distributeurs. Rond 1920 verenigden zij zich in de Nederlandsche Bioscoopbond, een belangenorganisatie die als een gesloten bolwerk tot ver in de twintigste eeuw de Nederlandse filmwereld zou beheersen.
Met het verdwijnen van theaters en kermissen als vertoningsplek voor film, verdween ook de populariteit van de zelfgemaakte opnamen; de bioscopen toonden hoofdzakelijk buitenlandse films. Hierdoor slonk de vaderlandse filmproductie tot een minimum. Kort voor de Eerste Wereldoorlog kwam daarin verandering toen een discussie ontstond over de schade die de in de bioscoop getoonde beelden konden aanrichten bij met name het jongere publiek. Deze discussie leidde uiteindelijk tot de invoering van een filmkeuring. Men kwam tot het inzicht dat film zich uitstekend leende voor onderwijs- en promotiedoeleinden; een instelling als het Koloniaal Instituut had hierop al geanticipeerd door J.C. Lamster naar Nederlands-Indië te sturen voor de opnamen van documentaire voorlichtingsfilms. Ook in Nederland werd nu een begin gemaakt met de vervaardiging van onderwijs- en promotiefilms; met name de Haarlemse industrieel en amateurfotograaf Maurits H. Binger die in 1912 Filmfabriek Hollandia had opgericht, speelde hierin een belangrijke rol.
Bloeiperiode
De Eerste Wereldoorlog betekende een ommekeer; Bingers productiemaatschappij gooide het roer om en groeide uit tot de eerste grote producent van speelfilms in Nederland. Op het gebied van de opdracht- en voorlichtingsfilm effende Willy Mullens, een van de vertoners van het eerste uur, de weg. Na het succes van zijn propagandafilm Leger- en vlootfilm richtte hij in 1918 zijn eigen productiebedrijf Haghe Film op.
Binger voorspelde een internationale doorbraak voor Hollandia, maar zoals zoveel Europese producenten delfde hij het onderspit tegen de snelle opmars van de Amerikaanse speelfilm. Pogingen om steun te vinden in het buitenland leverden weinig op en Hollandia ging in 1923 failliet, kort nadat Binger was overleden. Het zou het einde blijken van een korte bloeiperiode voor de Nederlandse speelfilm, waarin behalve Hollandia ook productiemaatschappijen als Amsterdam Film Cie. (van Theo Frenkel sr.) en Rembrandt Film Co (van Johan Gildemeijer) een rol van betekenis speelden.
Opdrachtfilm populair
Al in 1919 had Hollandia haar documentaire afdeling afgestoten. Deze ging zelfstandig verder onder de naam Filmfabriek Polygoon en zou met Haghe Film een van de drijvende krachten worden achter de Nederlandse film worden. De twee maatschappijen werden de belangrijkste producenten van journaal-, reclame-, onderwijs-, opdracht- en voorlichtingsfilms, de genres waarin de Nederlandse film na de Eerste Wereldoorlog zijn natuurlijke habitat vond, meer dan in de speelfilm of de korte amusementfilm, die bijna altijd van buitenlandse makelij was.
Gesteund door de zakelijke en organisatorische knowhow van de Nederlandsche Bioscoopbond die de vertoning en distributie van film regelde, kreeg de Nederlandse filmproductie en -vertoning in de jaren twintig vorm, een situatie die tot in de jaren roerige jaren zestig vrijwel ongewijzigd zou blijven.
Vroege film in Nederland: verantwoording

